Pas op met uitoefening pandrecht op roerende zaken

door | Ondernemingsrecht

De stille verpanding van roerende zaken en vorderingen is een bekende vorm zekerheid die wordt bedongen voor een vordering. Niet alleen banken maken gebruik van deze mogelijkheid, ook andere financiers en leveranciers laten zaken en vorderingen stil aan zich verpanden. Met stil wordt bedoeld dat de verpanding voor derden niet kenbaar is, de zaken blijven bij de schuldenaar, de debiteuren van de schuldenaar zijn niet op de hoogte van de verpanding.

Als de stille pandhouder van roerende zaken zijn pandrecht wil uitoefenen dan neemt hij de zaken in vuistpand (haalt ze dus weg bij de pandgever) en gaat over tot executoriale verkoop. Sinds 1 januari 2013 moet de pandhouder rekening houden met art. 22 bis Invorderingswet. Dat verplicht de pandhouder die tot uitoefening van zijn pandrecht wenst over te gaan daarvan melding te maken bij de ontvanger van de belastingen, indien het om een pandrecht op bodemzaken gaat, waarvan de waarde meer dan € 10.000,– is. Na de melding moet de pandhouder 4 weken wachten alvorens hij tot uitoefening van het pandrecht over gaat. Gedurende die tijd kan de belastingdienst alsnog bodembeslag leggen op die bodemzaken (zoals inventaris en machines), waardoor de uitoefening van het pandrecht wordt gefrustreerd. Pas na het verstrijken van de termijn van 4 weken kan de pandhouder zijn pandrecht daadwerkelijk uitoefenen.

Gevolgen negeren meldingsplicht

Met de invoering van dit wetsartikel is de positie van de fiscus ten opzichte van andere schuldeisers verder versterkt. Pandhouders doen er goed aan de meldingsplicht serieus te nemen, zo blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant ( 15 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8015). De betreffende pandhouder was zich kennelijk niet bewust van de meldingsplicht en was zonder melding tot uitoefening van het pandrecht over gegaan. De belastingdienst heeft, nadat de pandhouder had nagelaten aan te tonen wat de executiewaarde van de verkochte zaken was, die executiewaarde vastgesteld en de pandhouder de verplichting opgelegd dat bedrag aan de fiscus te voldoen. Het beroep tegen die beschikking is door de rechtbank ongegrond verklaard. De pandhouder heeft dus niet alleen kosten gemaakt om zijn pandrecht uit te oefenen maar moet ook nog de volledige opbrengst van de uitoefening van het pandrecht afstaan.

 

Indien u advies nodig heeft over de vestiging of uitoefening van zekerheidsrechten dan kunt u contact opnemen met mr. J. de Groot, degroot@dgdv.nl of 020 – 643 49 66.

Onderwerp