Vogelaanvaring met vliegtuig buitengewone omstandigheid?

door | Luchtvaartrecht

Bij de beantwoording van de vraag of een bepaald incident een buitengewone omstandigheid (in de zin van artikel 5 lid 3 Verordening 261/2004 (Passagiersrechten luchtvaart)) is, wordt het beroep van de luchtvaartmaatschappij dikwijls afgewezen omdat de rechter het incident “bedrijfsinherent” vindt.
Ook Advocaat-Generaal Bot, verbonden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is die mening toegedaan.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is het niet met Advocaat-Generaal Bot eens.
Het arrest van 4 mei 2017 van het HvJEU (zaak C-315/15) (passagiers Pešková en Peška) heeft betrekking op een vogelaanvaring. Een vogelaanvaring kan leiden tot (ernstige) schade aan de motor van een vliegtuig. Na een vogelaanvaring moet de motor eerst worden geïnspecteerd en indien nodig moet(en) (onderdelen van) de motor worden vervangen vóórdat het vliegtuig weer mag vliegen.

Wat zegt de jurisprudentie

In r.o. 20 van het arrest wordt eerst gesteld dan wel herhaald dat een luchtvaartmaatschappij, bij het doen van een beroep op buitengewone omstandigheden, eerst moet aantonen dat de annulering of de aankomstvertraging van drie uur of meer het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.
In r.o. 22 van het arrest van 4 mei 2017 herhaalt het HvJEU hetgeen zij eerder heeft bepaald, te weten:
“(…) dat als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 kunnen worden aangemerkt gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (…)”.
In r.o. 23 van het arrest wordt uitgelegd dat niet als buitengewone omstandigheid geldt een voortijdig defect van sommige onderdelen van het luchtvaartuig, nu een dergelijke storing wezenlijk verbonden is met het systeem voor de werking van het toestel. Op deze onverwachte gebeurtenis kan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, immers daadwerkelijke invloed uitoefenen, aangezien de luchtvaartmaatschappij dient te zorgen voor het onderhoud en het goed functioneren van de luchtvaartuigen die zij voor haar economische activiteiten gebruikt.
Bij de beantwoording van de vraag of een vogelaanvaring een buitengewone omstandigheid is, oordeelt het HvJEU in r.o. 24 van het arrest:
“In dit geval zijn de aanvaring tussen een luchtvaartuig en een vogel alsmede de eventuele daardoor ontstane schade niet vanwege hun aard of oorsprong inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij en kan deze hierop geen daadwerkelijke invloed uitoefenen aangezien zij niet wezenlijk zijn verbonden met het systeem voor de werking van het toestel. Die aanvaring moet derhalve worden aangemerkt als „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening nr. 261/2004.”.

Kortom

Kortom: vogelaanvaringen komen voor, maar luchtvaartmaatschappijen kunnen daarop geen daadwerkelijke invloed uitoefenen aangezien zij niet wezenlijk zijn verbonden met het systeem voor de werking van het toestel. Het beroep op een buitengewone omstandigheid wordt gehonoreerd – en wordt niet afgewezen middels “bedrijfsinherent”.
Dit arrest biedt voor luchtvaartmaatschappijen perspectief bij andere incidenten.

Indien u advies nodig heeft over luchtvaartrecht dan kunt u contact opnemen met mr. E.C. Douma, douma@dgdv.nl of 020 – 643 49 66.

Onderwerp